kop
        Steun ons!       Vermelding op Belpaese.nl?

Rome: geschiedenis en kunst vanaf de renaissance

Door: Hans Brouwer.

Renaissance

Renaissance of wedergeboorte is een term die maar zeer ten dele het tijdperk van zeg 1400 tot 1600 duidt. De middeleeuwen gaan eigenlijk naadloos over in de Renaissance als stijlperiode. De renaissance in de kunsten was een elitair verschijnsel. Het gewone volk was als gewoonlijk aan het werk voor het dagelijks brood in ambacht of op het veld. Men ging naar de kerk, kwam om in oorlogen, of stierf in een pestepidemie. Tot zover niets nieuws onder de zon. Toch ging men in bepaalde kringen antieke auteurs lezen. Men ging vertalen, reizen. Deed aan kunst en astrologie. Men zou kunnen zeggen: de renaissance-mens was onrustig en nieuwsgierig. Men twijfelde aan alles en een verandering in mens en wereldbeeld kon niet uitblijven.

Het spanningsveld tussen de statische wereldopvatting en de nieuwe renaissancistische, ziet men het duidelijkst in de zogenaamde stanza's van Rafael. De stanza's waren de woon- en werkvertrekken van de paus in het Vaticaans paleis. In de Stanza della Segnatura zijn twee half cirkelvormige fresco's gemaakt, tegenover elkaar, door de beroemde schilder Rafael en zijn assistenten.

School van Athene
De 'School van Athene" in de Stanza della Segnatura in het Vaticaans Paleis, nu Vaticaans Museum.
*LIJN*

De ene schildering heet; de School van Athene en stelt voor: Plato en Aristoteles temidden van een groep personen van historische en wetenschappelijke betekenis. Afgebeeld zijn o.a. Euclides, waarvoor de architect Bramante model stond. Herakleitos is Michelangelo (toegevoegd in 1511 aan het schilderij), Alexander de Grote, AverroŽs, Zarathoestra en Ptolemaeus komen in het stuk voor. De compositie is typisch renaisssancistisch. In een centrale compositie en lijnperspectivisch opgezet met de twee hoofdpersonen in het midden. De fantasie-architectuur is op de Romeinse oudheid geÔnspireerd. Het geheel is een opsomming van antieke figuren die in die tijd weer in de belangstelling stonden.
Juist dit beeld staat tegenover een schildering van de zgn. disputa. Daarin zijn de strijdende kerk (de mensen op aarde) met boven hen, op de wolken, de zegevierende kerk afgebeeld. Deze twee, inhoudelijk tegenovergestelde voorstellingen wilde een paus in de renaissance in zijn werkvertrek op de wand hebben. Hierin proeft men hoe het gedachtengoed tot in de top van de kerk aan het veranderen was. Deze niet-christelijke belangstelling in de kerkstaat Rome maakten haar imago naar buiten toe niet duidelijker. De beruchte Borgiapaus maakte het met zijn persoonlijke levensstijl nog veel bonter. Het aanzien van de kerk werd wel groots maar niet christelijker. Een reactie in de vorm van de reformatie kon natuurlijk niet uitblijven.
De kerkstaat besloeg ten tijde van de Renaissance heel midden ItaliŽ en Rome was hoofdstad. Instituten van de kerk waren in de hele stad gevestigd zoals b.v. de juridische afdeling in de Kanselarij, het Lateraans Paleis e.d. Na de terugkeer uit Avignon gingen de pausen Rome nieuwe luister bijzetten en ze ondernamen allerlei bouwplannen. Daarvan was het project van de nieuwe St.-Pieter wel het grootste. In feite gedroeg de paus zich niet anders dan de macht hebbers in Florence, Ferrara, Milaan, Mantua en alle andere stadstaatjes die door verlichte families werden beheerd en bestuurd. Geld en macht leiden tot elkaar. Om de staatjes onder controle te houden had men huurlingenlegers in dienst onder leiding van een condottiere. De betrouwbaarheid van dergelijk volk hing regelrecht af van de gage.
Ook de paus had een legertje, de zgn. Zwitserse garde. Zwitsers hadden een goede naam als huursoldaat en dat is nog zo. Michelangelo ontwierp het uniform dat vandaag de dag nog gedragen wordt. Het militaire niveau en aanzien is evenwel nog 15e eeuws. De snelle veranderingen in de renaissance werden mogelijk gemaakt door voornamelijk drie factoren: - hoogconjunctuur; immers, zonder welvaart geen kunst. - relativering van de memento mori in de richting van het carpe diem, pluk de dag! - wetenschappelijke nieuwsgierigheid (Galilei), ontdekkingsreizen (Columbus, Marco Polo e.a.)
Eťn van de nieuwe belangstellingssferen was de herontdekking van de klassieke oudheid. Het Forum Romanum dat eeuwenlang als weiland midden in Rome lag werd uitgegraven en men deed opmetingen en onderzoek. De antieken werden ook bestudeerd in de literatuur en dat leverde nieuwe onderwerpen op in de kunst. Proportieleer en architectuurstudies werden ontwikkeld en verschenen in boekvorm. De perspectiefleer werd herontdekt en algemeen toegepast. Hoven namen kunstenaars en wetenschappers in dienst en die kregen allerlei opdrachten. Uit hun samenwerking vloeiden weer nieuwe inzichten voort. De Neo Platoonse Academie te Florence, opgericht door Lorenzo Il Magnifico de Medici was wel de bekendste van dit soort groepen.

Tempeltje van Bramante
Tempietto van Bramante (Tempietto van San Pietro in Montorio)

Galatea
De beroemde Galatea van RafaŽl.
Fresco in de Villa Farnesina (1511).

*LIJN*
In Rome, rondom de paus, ging het al niet anders. Voorbeelden: De architect Bramante kreeg de kans zich te bewijzen door een klein kapelletje te bouwen op de Monte d'Oro. Daar ontstond een rond, puur klassiek gebouw, het tempietto genaamd. Michelangelo ging aan de Sixtijnse kapel werken, de goudsmid Cellini maakte een kelk. Rome had als voordeel dat regelmatig kunstwerken en curiosa aan de paus werden geschonken. Veel kloosterorden hadden hun hoofdkwartier in Rome naast alle gezanten die er toch al waren. Zo werd b.v. het eerste goud dat Columbus meebracht uit Amerika verwerkt in het plafond van de S.Maria Maggiore. Het grootste stuk Lapis Lazuli (blauwe halfedelsteen) werd verwerkt in het altaar boven het graf van Ignatius van Loyola in de Il Gesý. In dit opzicht wijkt Rome niet af van Londen of Parijs. Ook die steden waren stapelplaatsen van kunst. Het belang van kunstenaars om bij de opdrachtgevers entree te hebben was groot en de concurrentie dus enorm. Veel opdrachten werden wedstrijdgewijs gegund waardoor heel Rome zich met de ontwerpen bemoeide en bekritiseerde. Terwijl RafaŽl fresco's maakte in de Villa Farnesina, het buitenverblijf van de Familie Farnese, was zijn concurrent Michelangelo uiteraard zeer benieuwd naar het werk en brak 's nachts in om te zien wat er gemaakt werd. Uit respect voor wat hij aantrof tekende hij met houtskool zijn zelfportret op een muur, kijkend naar het werk. RafaŽl, op zijn beurt, liet de tekening staan, ze staat er nog! Bramante adviseerde de paus om Michelangelo de Sixtijnse kapel te laten beschilderen in de verwachting dat die opgave zou mislukken, immers Michelangelo had zich door de PiŽta als beeldhouwer doen kennen. Een andere affaire is die van Cellini. Cellini rekende op het mes met zijn mededingers af, belandde daardoor in de Engelenburcht, maar ontsnapte daaruit door middel van aaneengeknoopte lakens. Na enige tijd echter werd hij naar Rome teruggeroepen om het aanbestede werk voor de paus af te maken. Zoals gezegd maakten ook wetenschappers hun opwachting bij de paus. Galilei publiceerde zijn model van het zonnestelsel en werd prompt opgesloten in Villa Medici, door toedoen van de inquisitie die de zuiverheid in de leer bewaakte. Zijn opvatting dat niet de aarde het centrum van het universum was, werd niet op prijs gesteld.
© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER


Bouwkunst in de renaissance

In alle takken van beeldende kunst worden nieuwe principes zichtbaar. Regelmaat verdrong chaos, en symmetrie en harmonie lagen ten grondslag aan plattegronden en gevels van kerken en woonhuizen. Decoraties en bouwdelen als deuren en ramen, klassieke motieven zoals de tympaan, de zuil, de halfzuil en de pilaster werden volop toegepast. De cirkel en het vierkant werden als ideale vormen beschouwd en verdrongen de vestingbouw van de middeleeuwen. Nu volgen in kort bestek de twee belangrijkste soorten bouwwerken: het Palazzo en de Kerk.


Het Palazzo

Palazzo Farnese
Palazzo Farnese.
*LIJN*
---
De prachtige cortile van de Cancelleria in Rome.
*LIJN*
Palazzo Spada (Rome)
Mercurius en Amphitrite. Palazzo Spada, Rome, binnenplaats. Het paleis werd gebouwd in 1540 voor Cardinal Girolamo Capodiferro. Bartolomeo Baronino, uit Casale Monferrato, was de architect. Giulio Mazzoni en zijn team zorgden voor het stucwerk binnen en buiten.

Het centrum van Rome ziet er uit als een verzameling ongeveer gelijksoortige woonblokken. Meestal tellen ze drie verdiepingen en hebben ze de ingang in het midden. Er zitten kleine ramen in, soms zelfs getralied. Ze zijn groot en zien er massief uit; dat zijn palazzi. Het palazzo was de stedelijke behuizing van rijke families. Families als de Rovere's, de Pamphili's en de Borghese's hadden huizen. Die hadden drie vleugels om een carrť, de tuin kant is dan open. In Rome zijn zowel Villa Farnesina als Palazzo Farnese. Beide zijn goede voorbeelden voor de andere palazzi van naam. Nu zijn dit soort gebouwen allang geen woonhuis meer. Er zijn ambassades (o.a. de Franse en de Amerikaanse) in gevestigd en bankgebouwen. Sommige 19e eeuwse versies van het palazzo zijn nog weer groter dan de originele modellen en zijn nu ministeries, bijvoorbeeld die aan de Via Nazionale. Het palazzo, wij zouden zeggen 'paleis', is oorspronkelijk een familieresidentie. Complete families met personeel bewoonden deze panden. Het palazzo Farnese geldt als het beste voorbeeld en is gebouwd door de architect Sangallo en voltooid door Michelangelo. Er is aan gewerkt van 1530 tot 1589. Bouwmateriaal betrok men uit de resten van het theater van Marcellus en het Colosseum. De familie Farnese leverde de paus Paulus III op vandaar de vestiging van de familie in de stad. Later is het gebouw ook huisvesting geweest voor de tot het Rooms-katholicisme bekeerde Christina van Zweden die haar opwachting kwam maken in Rome bij de paus. Het gebouw is nu Franse ambassade. (voor 1 lire geruild tegen hotel Galiffet in Parijs voor 99 jaar). Op de begane grond zijn de dienstvertrekken. Op de eerste verdieping, de piano nobile, woonde de heer des huizes en de oudste zoon, op de bovenste verdieping woonden de andere kinderen, uiteraard met vrouw en kinderen. Elk palazzo heeft een binnenplaats, een cortile, die open wanden heeft, een zgn. loggia. Kamers zijn en suite geordend en trappen zijn in de hoeken geplaatst. Plafonds waren van steen en gewelfd van vorm. Frescoschilders als de Caracci's maakten er allegorische en mythologische decoraties op. De bovenkanten van de palazzi zijn van de straat af nooit te zien; het zijn pannendaken met schoorsteengroepen van alle vuurschouwen in de salons en keukens. Visueel wordt het gebouw bekroond door een zgn. kroonlijst. Tot en met de 19e eeuw werden er dit soort palazzi gebouwd. In de barok wordt de versiering drukker, de eenvoudige met tympanen versierde ramen krijgen gebroken boogsegmentversieringen en dubbele zuiltjes naast de vensters. De gebouwen worden ook hoger. In de 18e eeuw plaats men ook een vierde verdieping, de zgn. attiek. Men kan begrijpen dat het organiseren van het samenleven van hele dynastieŽn in een gebouw geen eenvoudige opgave was. De leefregels waarnaar men leefde waren dan ook strikt. Afhankelijk van de rangorde in de familie mocht men beschikken over personeel, rijtuigen, geld, etc. Hier lag, voorwaar, een voedingsbodem voor intriges.

De koepels van Rome


De sky-line van Rome is rijk voorzien van koepels. De paleizen en moderne gebouwen hebben flauw aflopende daken maar alle kerken, en dat zijn er meer dan driehonderd, hebben veelal koepels. Koepels omlijst met voluten, op cilindrische hoge trommels met zuilenversieringen. Bijna halfbolle koepels, spitse koepels met torentjes daarboven op. Waar een koepel is, is een kerk. En waar een kerk is zie je heiligenbeelden. Soms zijn die geweldig groot zoals op de voorgevel van de S.Jan van Lateranen en de tientallen op de kolonnaden van Bernini om het Sint-Pietersplein. Renaissance- koepels zijn rond van doorsnede. De latere barokke koepels zijn soms heel ingewikkeld van constructie. Het bouwen van koepels was in de oudheid al bekend. De koepel van het Pantheon is daar een gaaf bewijs van. In de middeleeuwen ontbrak het aan zin en middelen om koepels te bouwen en trachtte men heel andere kerkruimten te creŽren. De architect Brunelleschi bedacht in de renaissance een nieuwe, dubbelwandige constructie die het overspannen van grote ruimten door middel van koepels mogelijk maakte. Op de Dom van Florence staat op de kruising van lang- en dwarsschip een enorme achthoekige koepel. Dit principe van dubbelwandigheid zou leiden tot een hele reeks ontwikkelingen op dit gebied. In principe komen alle constructies op het volgende neer: de kruising van langsschip en dwarsschip is een blok of kubusvorm. Denk in het bovenvlak de ingeschreven cirkel en in de zijvlakken een halve cirkel aan de bovenkant uitkomend. Elke bovenhoek van de kubus is dan ingesloten door drie cirkelstukken, daar kan men een deel van een bol in denken. Dat boldeel noemt met een pendentief. Op de bovenste cirkel staat een cilinder die overgaat in een koepel. Aan de buitenkant van die cilinder begint iets hoger ook een koepel van ongeveer dezelfde vorm als de binnenste. Beide koepels eindigen boven elkaar met een tussenruimte van, in de praktijk, enkele meters. De beide schalen worden met elkaar verbonden door een zogenaamde lantaren, een smalle cilinder die boven de koepel uitsteekt.
© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER


Via della Conciliazione
Blik op de Sint Pieter door de Via della Conciliazione te Rome.
*LIJN*

De Sint Pieter

Er was al een kerk genoemd naar Petrus of Pieter in Rome op de plaats waar Petrus was begraven. Petrus werd gekruisigd op de spina, zeg maar middenberm, van het circus van Nero buiten de stad, aan de overkant van de Tiber, de Vaticaanse heuvel. (Vaticaan is afgeleid van Vaticinator of "ziener"). Petrus werd begraven naast het circus op een begraafplaats. Op het graf kwam een tempeltje; later een vroeg- christelijke basilica. In de renaissance laat paus Julius II door Bramante een nieuw plan voor een kerk maken. De ideale bouwvorm was toen een centrale as waaromheen het gebouw in alle richtingen gelijk van vorm was. Midden op die as was het graf van Petrus. Bramante begon met de bouw maar zijn werk werd overgenomen door een reeks architecten, waaronder Michelangelo, die de kerk vormgaf zoals wij haar nu nog zien. Met daarbij de aantekening dat de kerk pas in de barokperiode werd afgebouwd en werd verlengd en van een barokke voorgevel werd voorzien. De bouw die in 1506 begon en in 1520 werd herontworpen was pas in 1612 in haar eindfase onder leiding van de ba- rok-architect Maderna. Het plan om twee klokkentorens te bouwen op de voorgevel werd losgelaten. Toen de eerste toren er stond begon de voorgevel te verzakken. Van het bouwmateriaal bestemd voor de klokkentorens zijn aan de Piazza del Popolo twee symmetrische kerkjes gebouwd. De koepel (en het dak) van de kerk zijn te beklimmen; de route is bewegwijzerd met "cupola". Men komt dan, op dakhoogte, eerst in de trommel (cilinder)onder de koepel. Daar kan men rondlopen en in de kerk kijken. Het meest in het oog vallend is het enorme baldakijn dat Bernini maakte boven het hoofdaltaar en de crypt waarin het graf van Petrus is. Men kan tussen de binnen- en de buitenkoepel naar boven en komt dan bij de lantaren. Daar is een magnifiek uitzicht over de stad.


---
Interieur van de Sint Pieter.
*LIJN*
Sint Pieter in Rome
Het baldakijn van Bernini in de Sint-Pieter.
*LIJN*

Het interieur van de Sint Pieter

Wie eenmaal in de trommel van de koepel rondloopt staat met zijn neus voor de wanddecoraties. Van veraf lijken dat allemaal schilderingen, maar dat zijn het niet! Terwijl alle kerken in Rome bewerkt zijn met fresco's is dat hier onmogelijk omdat fresco's op de Vaticaanse heuvel allemaal bederven. Het zijn dus allemaal zeer bestendige mozaÔeken. Net onder de kroonlijst die zich boven de pilasters en onder de aanzet van het gewelf bevindt, is een lange strook tekst die de status en intentie van de kerk nadrukkelijk aanduidt: "Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn kerk bouwen". En: "U zal ik de sleutel geven van het rijk der hemelen". In de absis staat de tekst: "O herder van de kerk, gij wijdt alle lammeren en schapen van Christus". Waaruit moge blijken dat deze kerk het centrum van de Rooms-Katholieke kerk is. Wanneer men een rondgang maakt door het gebouw treft op de eerste plaats de enorme afmeting. Alles in de Sint Pieter is namelijk op grotere schaal dan normaal gemaakt. Een eenvoudig wijwatervat is hier van badkuipformaat met twee engeltjes van forse afmetingen. De grootte van alles blijkt pas door in de kerk te bewegen. De wanden in de kerk zijn bezet met grafmonumenten van, meest, pausen maar het monument van de Stuarts is ook aanwezig. Alleen al aan de hand van de grafmonumenten is een ontwikkeling van de beeldhouwkunst vanaf de Renaissance tot en met de barok te schetsen. Naarmate ze later in de tijd gemaakt zijn zijn ze dynamischer, veelkleurig en is de pose van de overledene steeds "levendiger". Het graf van Petrus bevindt zich op het niveau onder dat van de vroeg-christelijke kerk. Men heeft de nieuwe kerk op de resten van de oude kerk gezet. In de lage, cryptachtige tussenruimte is de zogenaamde confessio. De lampen die branden rondom het graf worden traditiegetrouw gevuld met olie uit de Hof van Olijven in Palestina. In het gangenstelsel van de onderkerk zijn een aantal grafkelders waarin graftombes van pausen staan. Italianen leggen bij met name die van paus Johannes XXIII nog steeds bloemen, bij de tombe van zijn opvolger Paulus VI niet!

De schilderkunst in de Renaissance


De binnenkomst in de Sixtijnse kapel is een merkwaardige ervaring. Na een moeizame naderingsweg door het labyrint van het Vaticaanse museum pers je je tezamen met tientallen toeristen en hun camera's door een klein deuropeningetje. Dan sta je plotseling in een gewijde ruimte vol met werk van Botticelli, Ghirlandaio, Pinturicchio en al die andere vroeg renaissancistische meesters en boven je, en achter je tegen de altaarwand: Michelangelo,overweldigend!

Michelangelo schilderde in opdracht van paus Julius II het scheppingsverhaal op het plafond. Julius II bewonderde Michelangelo sinds hij diens PiŽta had gezien. In 1508 liet Julius Michelangelo uit Toscane terughalen naar Rome om aan de Sixtijnse kapel te werken. In 1512 begon hij tenslotte, allťťn, omdat hij, naar zijn inzicht, geen bekwame assistenten kon vinden. Iedereen rekende op een mislukking, met name Bramante. De uitdaging was ook niet gering: 800 m² plafond. Hij moest daarbij soms liggend op zijn rug werken waarbij de verf hem in de ogen droop. Paus Julius kwam zo nu en dan poolshoogte nemen van de vorderingen waarbij zich felle twistgesprekken tussen heer en meester afspeelden. Michelangelo onderbrak het werk soms voor maanden. Julius betaalde hem dan ook slecht en te laat. De voorstelling is een serie scŤnes uit Genesis. Het scheppingsverhaal bevat de bekende scŤnes als: de ark van Noach, de verdrijving uit het paradijs, maar bovenal de schepping van Adam. De nevenfiguren zijn sibillen en profeten. Bij ťťn ervan heeft Michelangelo zijn werk gesigneerd . Het eeuwenlange gebruik van kaarsen en fakkels als verlichting heeft de fresco's ernstig vervuild. Enkele jaren geleden is men begonnen met de schoonmaak en restauratie. Het plafond is nu geheel in, zeg maar, de oorspronkelijke staat te zien en dat is: krachtig van vorm en kleur. Bedenk bij dat alles dat de moeilijkheidsgraad van frescoschilderen zeer hoog is, hetgeen uit de volgende beschrijving van de techniek moge blijken. Michelangelo vond dan ook: "fresco is voor mannen, olieverf voor vrouwen". Een gemakkelijk karakter had hij niet! Pas in 1536 begon Michelangelo aan de achterwand van de kapel. Daar is het laatste oordeel geschilderd. Het stelt voor de dag des oordeels waarop God op de wolken verschijnt en alle goede van alle kwade mensen scheidt. De goeden gaan naar de hemel, de slechten dalen af naar de hel en worden, beneden in de schildering, door de veerman Hades over de rivier de Styx gezet naar het dodenrijk. Overigens moest op last van Paus Paulus III de Christusfiguur zonder baard worden geschilderd, dat betekende een breuk in de traditie.

Het schilderen van een fresco


De kunstenaar begint met een ontwerpschets waarin de wensen van de opdrachtgever worden verwerkt. De schets wordt beoordeeld. In veel gevallen volgen er wijzigingen in de composities of worden er poses veranderd of figuren toegevoegd. Dan wordt er een karton gemaakt, dat is een tekening op ware grootte, van aan elkaar gelijmde stukken. De muur wordt ruwgehakt en voorzien van een eerste grove pleisterlaag, de ariccio. Daarop kan dan met rode verf een ruwe voorschets in verf worden gezet, de sinopia. Soms zijn er dan nog veranderingen gewenst en worden die aangebracht. Ook worden er wel schetsen aangebracht met houtskool (dit schetsen was ook de oorspronkelijke functie van houtskool). Op grond van de indeling van de compositie brengt men dan de definitieve pleisterlaag aan: de intonaco. Deze laag bestaat vrijwel geheel uit kalk. Zolang de kalklaag nog niet droog is kan men schilderen. De verf bestaat uit pigment in water. Het pigment bindt in de kalk af tot een chemisch gebonden geheel. Een fresco kan dus niet verbeterd worden. Een schilder maakt dus een stuk per dag. Soms gebruikt de kunstenaar het karton om de hoofdlijnen van de schets op de natte kalk over te brengen door te krassen of houtskoolpoeder te kloppen door rijen gaatjes in het karton die de hoofdlijnen aangeven. Frescoschilderen is in feite niet duur en toch zeer duurzaam. De enige bedreiging voor een fresco is inwerking van vocht waardoor schimmels ontstaan die het werk aantasten. Fresco's komen dus voornamelijk in droge warme landen voor, in Nederland dus niet. Groepen schilders die aan heel grote wanden werken noemt men de quadratistis omdat ze per dag een vierkant beschilderen. Zo'n vierkant is dan een ruit uit het grote ontwerp. Als men een fresco aanbrengt op een gewelfd vlak bijvoorbeeld een plafond dan werkt de schilder van dichtbij aan een sterk perspectivisch vertekend deel dat van de normale kijkafstand er pas goed uitziet. Vooral tijdens de Barok zijn er werkelijk fantastische schilderkunstige hoogstandjes gemaakt op veelal gebogen wanden en plafonds.

Andere vernieuwingen in de schilderkunst van de Renaissance


In de middeleeuwen schilderde de schilder om te vertellen wat er te zien was op een illustratie van de bijbel. In de Renaissance etaleerde de kunstenaar ook zijn vakmanschap, en alles waar hij kennis van had. Er werd naturalisme nagestreefd, de afbeelding werd ten opzichte van de natuur verantwoord door studie en schetsen. Toch ging men niet buiten schilderen. Van bijvoorbeeld Leonardo da Vinci is bekend dat hij veel en intensief studeerde op, eigenlijk, de verschijningsvorm van alles. De middeleeuwse kunstenaar bleef anoniem en was slechts dienstbaar aan de verkondiging van het geloof, de Renaissancist geloofde ook in zichzelf en wilde erkend en bekend zijn. Men ontwikkelde gevoel voor proporties, voor harmonie. De werking van licht op vorm werd bestudeerd. Anatomie werd bestudeerd en de lijnperspectief werd met gretigheid toegepast. En daarbij beschikte men over steeds meer kleuren die de (al)chemie ontwikkelde. De thematiek veranderde uiteraard ook. Naast bijbelse motieven kwamen ook het portret, het landschap en het mythologische onderwerp in zwang.
In Rome zijn van de zuivere Renaissanceschilderkunst niet eens zo heel veel voorbeelden. Rome wordt gedomineerd door de barok. Vooral in het Vaticaans Museum vindt men voortreffelijke voorbeelden van alle stijlperioden tot de 19e eeuw.

De beeldhouwkunst in de Renaissance


De beeldhouwkunst was vanouds dienstbaar en meestal ondergeschikt aan de bouwkunst. Zelfstandige beeldhouwkunst komt eigenlijk alleen voor in kerken in de vorm van heiligenbeelden. In de Renaissance werd de beeldhouwkunst breder van optiek. Het portret, het klassieke beeld, munten en reliŽfs komen als genres sterk op. Het naakt afbeelden mag weer.

Pietŗ van Michelangelo
Pietŗ van Michelangelo
*LIJN*
Mozes (Rome, ItaliŽ)
Graf van paus Julius II (voltooid 1545) met een beeld van Mozes (1514-1516) door Michelangelo in de kerk Sint Petrus Banden (Basilica di San Pietro in Vincoli, Rome, Lazio).

Namen zijn er genoeg te noemen: Donatello, Verrocchio, Cellini en bovenal Michelangelo. In de culturele hoogconjunctuur in Rome ten tijde van de Renaissance was er werk voor velen maar een bijzondere mijlpaal is de schepping van Michelangelo's piŽta. Dit beeld staat nu in de St.-Pieter. De oorspronkelijke opdrachtgever was de Franse ambassadeur kardinaal Jean Villiers de la Groslaye. Michelangelo maakte het in 1498 op 25-jarige leeftijd. Het bekend worden van dit beeld zou meteen zijn ontdekking in Rome als begenadigd kunstenaar blijken te zijn. Het beeld stelt de moeder Maria voor die treurt over de dood van haar gestorven zoon die op haar schoot ligt. De serene uitdrukking die Michelangelo uit marmer wist te halen is tot op de dag van vandaag een onbetwistbaar hoogtepunt van vakmanschap en inlevingsvermogen in menselijkheid. De presentatie van het beeld is omgeven met mythen; zo zou het beeld begraven zijn geweest op het Forum om zogenaamd als klassiek beeld te laten ontdekken. Ook gaat de mare dat het beeld anoniem zou zijn gepresenteerd waarbij de toen onbekende Michelangelo de tekst bleek te kennen op de band die over Maria's borst loopt, daar staat de enige signatuur die hij ooit op een beeld heeft aangebracht. Daarop stond: "Michael Angelus Bonarotus Florens Faciebat". Michelangelo mocht dan ontdekt zijn, hij moest zijn aandacht wel verdelen tussen werk in Florence voor de Medici's en de pausen in Rome.

In Rome is ook de volgende opdracht te zien: de graftombe voor Julius II. In 1505 kreeg Michelangelo de opdracht om de graftombe voor Julius te maken maar Michelangelo deed alleen al zes maanden over het zoeken naar een geschikt stuk marmer. Dat leverde de eerste irritatie tussen de beide figuren op, er zouden er nog vele volgen. Het gehele werk kwam nooit af. Alle delen zijn als een soort assemblage te zien in de S.Pietro in Vincoli. Centraal staat het beeld van Mozes. Daarin laat Michelangelo zich weer kennen als een idealistisch kunstenaar die in al zijn figuren slechts kracht, schoonheid en dynamiek laat zien. Oud en zwak zijn eigenschappen die in zijn werk niet voorkomen. Mozes is afgebeeld op het moment dat hij in woede en verbijstering moet ervaren dat zijn volk danst om het gouden kalf. Het beeld staat eigenlijk te laag opgesteld gezien het postuur. Wat te denken van de merkwaardige "bulten" op Mozes' voorhoofd? Volgens de bijbel moeten daar lichtstralen zijn die de Goddelijke geestkracht verbeelden, hem gegeven tijdens Mozes' verblijf op de berg. Is hier een illustratie van een historische vertaalfout? Immers: Coronatus betekent "met de krans van licht", Cornutus bete kent "met horens op het hoofd". De bulten lijken het meest op horens.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

Caravaggio en het clair-obscur

De schilder Caravaggio leefde van 1571 tot 1610. Hij vormde de schakel met de volgende periode in de kunstgeschiedenis, de barok. Als geen ander profileerde Caravaggio zich als de schilder die boetseert met licht. Een lichtgebruik dat kenmerk zou worden voor de zeventiende eeuw; het clair-obscur, tegenstelling tussen licht en donker. Wie aan de nachtwacht van Rembrandt denkt, weet welke lichtval bedoeld wordt.. In de S.Luigi dei Francesi, de kerk van de Fransen in Rome, is een kapel met een paar bijzondere schilderijen. Het zijn geen fresco's maar olieverfschilderijen. Men kon aan het eind van de Renaissance al grote lappen linnen weven die, voorzien van een grondlaag, als schilderijdrager konden dienen. Dat betekende dat schilders in hun ateliers aan grote en constructief lichte doeken konden werken die na voltooiing gemakkelijk geplaatst konden worden. De olieverf was nu bekend in ItaliŽ. Deze techniek die de temperaverf verdrong was ontwikkeld in Vlaanderen en raakte bekend in heel Europa. Olieverf geeft sterkere kleuren dan in frescotechniek. Dramatische effecten komen dan ook beter uit. Caravaggio was een van de schilders die de voordelen daarvan uitbuitte. Hij situeerde zijn scŤnes in donkere ruimten waarin de blik van de beschouwer werd geleid door sterke lichtval op gezichten, handen e.d. In de S.Luigi zijn te zien: De roeping van de Mattheus tot apostel, de dood van Mattheus en Mattheus als evangelist.. Niet onvermeld mag blijven dat deze Caravaggio ook de schepper was van het bekende schilderij 'de Emmausgangers'. Hij situeerde zijn personages echter als hele gewone mensen in heel realistische situaties, elke verwijzing naar heiligheid of aanbidding ontbrak. Iets wat de schilderijen wel zeer aansprekend maakte, filmisch bijna, maar van conservatieve kerkelijke zijde weinig waardering kreeg.
Schilders uit de noordelijke landen zoals de "bentveugels" uit Nederland, brachten hun kennis van de schilderkunst mee van hun reizen. Maar ook de prenten die de Duitser Adam Elsheimer maakte verspreidde de clair-obscur stijl over Europa.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

De barok en de Contrareformatie

Na de Renaissance volgde het maniŽrisme. Eigenlijk niets anders dan een periode van nabloei van de renaissance. Zoals de Renaissance zich slechts kon aftekenen in een gunstige economische situatie was er ook voor de barok een klimaat nodig om tot ontwikkeling te komen. De restauratie van de kerk was de voedingsbodem waarin het nieuwe elan zou aarden. Door de Reformatie trad er een scheuring op in Europa. Het gebied dat de leer van Rome volgde, nam de stijlvormen van de barok over. Dat waren ItaliŽ, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Polen, Frankrijk, Spanje, Portugal volgden de dynamische grootse en kleurige vorm in de barok. Het deel van Europa dat de hervorming na Luther Calvijn en Zwingli volgde liet een heel ander soort barok zien: veel strakker, ingetogener en nauwelijks exuberant. Nederland, Noord-Duitsland en Engeland volgden die vorm. Vergelijking van bijvoorbeeld het paleis op de Dam in Amsterdam met gebouwen op de Grote Markt in Brussel laat als zien dat hoe zuidelijker men komt, hoe sterker de Italiaanse vorm van de barok wordt.

Il Gesý, Rome, Roma, ItaliŽ.
Interieur van de hoofdkerk van de JezuÔeten in Rome: graf en altaar van de Heilige Ignatius. De barok is de stijl van de contrareformatie.
*LIJN*

Van 1545 tot 1563 werd het concilie van Trente gehouden. De organisatie van de kerk werd herzien, de geloofsleer doorgelicht en er werd schoonmaak gehouden in de verweven en verworden verhouding tussen kerkelijke en wereldlijke macht. Het pausschap bleef echter als instituut intact. De kerk die hernieuwd en gezuiverd opleefde, gaf aan dat proces uiting door een grote bekeringsijver en kerkenbouw. In die context ontstond de zogenaamde jezuÔetenorde, gesticht en onder leiding van de Spanjaard Ignatius van Loyola. Deze orde week nogal af van de manier van werken van andere religieuze orden. De meeste orden van religieuzen werkten onder het volk, aan de basis. De jezuÔetenorde richtte zich op de maatschappelijke elite, de leidinggevende macht in een land. Hun filosofie was dat als je de leidende krachten in de maatschappij kon beinvloeden je daarmee het hele volk kon sturen. Zij zijn dan ook te vinden in bestuurscentra, in onderwijsinstituten en onder wetenschappers. De JezuÔeten bouwden veel scholen en kerken. Hun wapenspreuk "in hoc signo vinces" IHS (in dit teken zult gij overwinnen) is op veel kerkgevels te zien. In Rome staan de twee belangrijkste jezuÔetenkerken. De Il Gesý en de S.Ignazio. De eerste is de naamkerk van de orde, gebouwd naast de woon-werkvertrekken van Ignatius. De andere is de naamkerk van Ignatius. Alleen al in Rome zijn tientallen JezuÔetenkerken. In het hele gebied van de barok in Europa zijn er honderden.

De kerken, twee soorten


De meest voorkomende soort is dus de al genoemde JezuÔetenkerk. De straten in de steden waren toen al zo volgebouwd dat er geen ruimte meer was om kerken op het oosten uit te richten. Kerken werden dan ook zo in de straat opgenomen, dat alleen de faÁade zichtbaar was. Die faÁade was de doorsnede van een lang middenschip met links en rechts een zijbeuk. Daardoor is de onderverdieping breed en de eerste verdieping smal. Beide worden door middel van voluten met elkaar verbonden. Het accent ligt op het midden van de gevel waar de hoofdingang is, een wapenschild en een raam. Alle versieringen zijn dubbel; dus telkens twee pilasters of twee halfzuilen naast elkaar. Naarmate de barok vorderde werden de gevels groter en plastischer, gewelfd als gebogen plaatijzer. De rest van het exterieur is onaanzienlijk, gewoon van baksteen want ze is toch niet te zien. Ook ziet men vanaf de straat de koepel niet die op de kruising van langs- en dwarsschip staat. Plafonds, meest gewelfd, zijn voorzien van zeer gecompliceerde en ruimtelijk illusoire fresco's.

---
Sant' Andrea della Valle (17e eeuw)
*LIJN*

Het interieur is veelkleurig en hevig gedecoreerd. Goud komt er veel voor. De kerken in Rome zijn bijzonder omdat ze volgepropt werden met schenkingen door gelovigen en adel uit alle windstreken. Dat komt omdat bijna elke kerk een orde-kerk is die vanuit het buitenland wordt onderhouden door schenkingen en curiosa die worden geplaatst. Te noemen valt het geheel zilveren beeld van Ignatius in de Il Gesý, en de copie in zwart marmer van de piŽta in de S. Andrea della Valle. Interieurs van barokkerken zijn, zonder uitzondering, druk, onoverzichtelijk en stralen een extraverte en triomfantelijke religieuze opvatting uit.

De andere soort kerk is wat bescheidener, eigenlijk een voortzetting van de kapelbouwtraditie. Zo eenvoudig en helder als het Tempietto van Bramante was, zo ingewikkeld zijn de kleine meest elliptische barokkerken. De cirkel als ideale plattegrond heeft afgedaan, men gebruikt nu de ellips, soms twee of drie door elkaar gedraaid of gecombineerd met doorsnijdende driehoeken of zoiets. Daar komt nog bij dat men er behagen in schept om architectuur, beeldhouw- en schilderkunst naadloos in elkaar over te laten lopen. Als je dus ergens hoog in een kerk een engeltje op een kroonlijst ziet staan bij een rode lap, dan zul je nooit weten of die engel een beeld is of geschilderd, die lap plastisch is of nep, of die engel nu wel of niet op een echte kroonlijst staat, of dat die ook geschilderd is of uit gips bestaat. Dat nu is precies het bedoelde effect: de kerkganger onderdompelen in een allesomvattende zintuiglijke ervaring. Vele twintigste eeuwers noemen de barok daarom louter effectbejag. Over stijlopvatting kan men twisten, maar het vakmanschap in de kunsten was buitengewoon hoog.

Stadsaanleg.


Grote steden zijn ontstaan uit kleine nederzettingen, in veel gevallen aan rivieren bij door waadbare plaatsen. De middeleeuwse kleine stadjes raakten totaal overbelast in al zijn functies als er duizenden inwoners omheen gingen wonen. Zie de Amsterdamse grachtengordels en twintigste eeuwse uitbreidingen. Een grote stad moest op een gegeven moment gesaneerd en georganiseerd worden. Rome werd net als Londen en Parijs dus heringericht. Het oude centrum van Rome was en is een complex stelsel van sloppen, stegen en ook wel straten.

---
Piazza del Popolo
*LIJN*

Daardoorheen lopen enkele opvallend brede avenues die geen antiek of historisch aanzien hebben maar negentiende en twintigste eeuws zijn. Al in de zeventiende eeuw werden de steden planmatig ingericht. Het noordelijke plein in Rome, de Piazza del Popolo (volksplein) werd als entree naar de stad ingericht. Op het plein staat nu een obelisk. Op alle belangrijke pleinen werden olbelisken geplaatst. De kilometerlange Via del Corso loopt rechtdoor naar het Forum Romanum, over de Piazza Venezia heen. Daar stuit de weg op het enorme monument van Victor Emanuel. De plaats van dit monument is natuurlijk geen toeval. Vanaf de Piazza del Popolo lopen nog twee kaarsrechte straten naar markante punten. Van oost naar west loopt de Via Nazionale naar de Piazza Venezia, verder loopt de weg door naar de brug over de Tiber die naar het Vaticaan leidt. Pas in onze eeuw wordt de ligging van de St.-Pieter en het Sint-Pietersplein aanzienlijk verbeterd door Mussolini.


De Trevifontein.

---
De Trevifontein.
*LIJN*
Door de organisatie van de stad ontstonden er pleinen en ruimten die vroegen om een monumentale aankleding. Het pleintje waar zich nu de Trevifontein bevindt was er al lang, en een fontein was er al in de oudheid. Veldheer Marcus Agrippa zocht, buiten Rome, een drinkwaterbron voor zijn leger. Die bron werd hem gewezen en het water werd via aquaducten naar de stad gevoerd. Op de plaats van de Trevifontein was een verdeelpunt van waaruit andere, lager gelegen fonteinen werden gevoed. Pas in 1736 werd er begonnen met de enscenering van het plein in de nu nog bestaande vorm. Vanuit smalle straatjes nadert men de fontein die plotseling als een groot barok decor van water-geluid-steen- en architectuur opdoemt. De centrale figuur is Neptunus, de god van de zee, vergezeld door beelden die de gezondheid en vruchtbaarheid voorstellen. Evenals in de kerkbouw streeft men ook hier krachtige effecten na. De Romeinse fonteinen werken anders dan wij gewend zijn. Het natuurlijke verval is de drijf kracht achter het water. Pompen en dergelijke mechanische zaken komen pas voor in de tuinen van Versailles, waar Lodewijk de zonnekoning het water uit de Seine liet oppompen in de kanovijver op de vlak afgegraven heuvel waarop het paleis staat. Het water voor alle fonteinen komt uit de heuvels rondom Rome. In de oudheid zijn er al verschillende aquaducten gebouwd om de stad van water te voorzien. Het water van een hoger gelegen fontein stroomt door naar een lager gelegen fontein. De architect kan dus slechts spelen met gewoon overstromend en vallend water in bekkens.

Tivoli

Tivoli, een park in de woestenij

Zo'n 25 kilometer buiten Rome ligt het stadje Tivoli op de heuvels. De rivier de Aniene breekt daar door het bergmassief in de vorm van een waterval in een kloof: de zogenaamde Villa Gregoriana. Dit stuk pure natuur is in de 17e eeuw al geschilderd en bekend geworden. Telkens treft men op afbeeldingen de waterval en het ronde antieke tempeltje aan dat er nu nog staat. Een deel van het water van de rivier wordt echter gebruikt om ca. 500 grote en kleine fonteinen te voeden in het park achter de Villa d'Este. Aangelegd door de zoon van de heerser van de stad Ferarra, Alfonso d'Este, Ippolito. Die was gehuwd met Lucretia Borgia, de dochter van de beruchte Borgia-paus Alexander VI. De architect Pirro Ligorio, die ook de tuinen van het vaticaan ontwierp, leidde het rivierwater door allerlei buizenstelsels van de ene cascade naar de andere. Door het grote verval komen in Tivoli tamelijk grote spuitende fonteinen voor. Het geheel is een zeer gezocht lustoord voor mensen die de drukke en stoffige stad Rome willen ontvluchten. De componist Franz Liszt woonde enkele jaren in de Villa d'Este en schreef daar een symfonie over de fonteinen van Tivoli.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

---
De Vierstromenfontein op de Piazza Navona.
*LIJN*

Fonteinen

Fonteinen nemen ook een bijzondere plaats in in het Romeinse volksleven. De fonteinen op de Piazza Navona kan men laten overstromen om waterspelen te houden op het plein. Dit bijzondere plein krijgt ook bezoek van "befana" een variant op onze S.Nicolaas, maar dan in de gestalte van een oude heks. Het feest van befana valt samen met de viering van "onnozele kinderen" (dat herinnert aan de kindermoord van Bethlehem uit de Bijbel). De piazza Navona heeft de vorm van een antiek circus. De gebouwen staan op de restanten van de tribunes die er omheen gebouwd waren. Het was het circus van Domitianus; het Circo Agonale. Etymologisch gezien schijnt Navona via "nagona" van "in agone" afgeleid te zijn. Dit agone verwijst naar de barokke kerk van Borromini, de S. Agnese in Agone (agnes = lam). Tegenover de kerk staat de bekendste fontein van Rome, de vierstromenfontein van de architect-beeldhouwer Gianlorenzo Bernini. De fontein werd gebouwd tussen 1648 en 1651 in opdracht van de paus Sixtus IV uit het geslacht Pamphili die zo'n palazzo aan het plein had staan (Palazzo Doria Pamphili, nu de Braziliaanse ambassade). De S. Agnese diende als "huiskapel" voor de Pamphili's. Ook in de vierstromenfontein zijn alle barokke kenmerken aan te wijzen: een combinatie van water, gestileerde rotsen en filmisch geŽnsceneerde mensen en dieren. De naam "vierstromenfontein" verwijst naar de symbolische voorstelling van de vier, toen bekende, werelddelen d.m.v. een rivier: de Nijl voor Afrika (mens met omfloerst hoofd), de Donau voor Europa (paardfiguur met wapen), de Rio de La Plata voor (Z.) Amerika (negroÔde figuur met munten) en de Ganges voor AziŽ. Alle planten en dieren waren oorspronkelijk gekleurd. Bovenop de groep staat een obelisk die eerst in het Circus Maximus stond. De hiŽroglyfen in deze obelisk zijn echter vals en slechts uit modieuze overwegingen aangebracht. Nu de naam van Bernini genoemd is en het begrip obelisk is vermeld moet de belangrijkste vormgever van het barokke Rome wat uitvoeriger worden beschouwd.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

Gianlorenzo Bernini; geniale duizendpoot.

---
Een engel doorboort met een pijl het hart van de Heilige Theresia. Beroemde beeldengroep van Bernini in de kerk Santa Maria della Vittoria
*LIJN*
---
Cathedra, symbolische troon van de Heilige Petrus in de Sint Pieter in Rome (Bernini).
*LIJN*

Deze tot de verbeelding sprekende kunstenaar leefde van 1598 tot 1680. Hij was beeldhouwer-schilder-architect. Zijn grootste bekendheid verwierf hij door zijn beelden als de "David" en "de ontvoering van Proserpina", en de bouw van het baldakijn en het Sint-Pietersplein. Waren er dan geen anderen? Zeker wel; zijn directe concurrent was de architect Borromini en schilders van niveau waren Tiepolo en Pozzo. Maar Bernini die voor de Borghese-pausen werkte heeft zoveel plaatsen in Rome ingericht dat het barokke karakter van de stad door hem en zijn navolgers bepaald is. Zijn activiteiten voor de Borghese pausen leidden tot het ontstaan van buitengewoon realistische beelden, waarin het marmer tot huid en vlees wordt. Barokke beelden zijn in tegenstelling tot die uit de Renaissance niet statisch of introvert van karakter maar eisen een deel van de omringende ruimte voor zich op. Dergelijke beelden staan ook altijd vrij in de ruimte. Juist deze galleria in het woonhuis Villa Borghese heeft de beste Bernini's. Als beeldhouwer bereikt Bernini zijn toppunt in de opstelling van de extase van de Heilige Theresia. Deze groep stelt voor: Theresia, stervend, zwevend op een wolk, gevangen in een door door metalen staven geleide lichtbundel die, naar het schijnt, uit de hemel komt. Om dit beeld, dat zich in de S.Maria della Vittoria bevindt, te plaatsen werd een speciale kapel gebouwd. Bernini's activiteiten voerden hem ook naar Frankrijk waar hij een gevel ontwierp voor het Louvre (nooit uitgevoerd) en een portretbuste maakte van Lodewijk XIV. In zijn buitenlands optreden is Bernini te vergelijken met Rubens die ook min of meer diplomatieke missies vervulde. Als architect-beeldhouwer ligt het accent op de St.-Pieter. Daar maakte hij de Cathedra, de statiezetel van Petrus en zijn opvolgers. De zetel is natuurlijk slechts symbolisch motief in een decoratieve entourage in de absis van de kerk onder een glas-in-lood raam waar, niet toevallig, een felle lichtbundel door een witte duif valt. Boven het hoofdaltaar staat het grote baldakijn van 29 meter hoge getordeerde zuilen. Het motief van getordeerde zuilen kwam in de oudheid al voor maar Bernini wilde aansluiten op de getordeerde zuilen die aanwezig waren in de oude St.-Pieter. Curieus zijn de bolle wapenschilden op de voetstukken van de zuilen. Telkens is daar een benauwd kijkend kopje op aangebracht. De serie verwijst naar de negen maanden zwanger schap van een nichtje van paus Urbanus VIII, na negen maanden dik worden en expressie van barensweeŽn volgt er een kinderkopje als tiende. In de kerk is verder het grafmonument van paus Urbanus en in de voorhal een ruiterstandbeeld van keizer Constantijn.

Het Sint-Pietersplein werd aangelegd tussen 1656 en 1667. De cirkel als grondvorm is dan al vervangen door de ellips. Het plein is dan ook ťťn grote ellips, afgezet met colonnaden die uit 284 zuilen en kolommen bestaan met daarop 102 beelden. De fonteinen waren er al eerder. Het vierkante voorplein naar de kerk, loopt niet alleen schuin omhoog maar is in een ander opzicht merkwaardig. De beide gevels links en rechts staan niet evenwijdig ten opzichte van elkaar, alhoewel dat wel zo lijkt. Ons perspectivische zien is ingesteld op evenwijdigheid die regelmatig verkleind naar de horizon toe. Die wetmatigheid wordt nu omspeeld door de beide gevels enigszins te laten divergeren zodat het plein groter lijkt dan het is. Dergelijke perspectief- grapjes komen in de barok meer voor. De scala regia in het vaticaans paleis is daar ook een voorbeeld van, eveneens van de hand van Bernini. De obelisk midden op het plein is afkomstig uit Heliopolis, ingevoerd door keizer Caligula in 37 na Chr. Al in 1586 werd de obelisk die al op andere plaatsen had gestaan naar het plein gebracht (dat toen z'n huidige vorm nog niet had). Met behulp van 900 man, 140 paarden en 44 lieren werd onder doodse stilte getracht de obelisk rechtop te zetten. De operatie die dreigde te mislukken doordat het touwwerk vervaarlijk kraakte werd gered door de befaamde matroos Bresca die meehielp. Hij schreeuwde "acqua alle funi", dit tegen het uitdrukkelijke stiltegebod in. Het water op de touwen bleek de reddende factor te zijn. De matroos werd alsnog beloond, hij mocht de pauselijke standaard voortaan op zijn schip voeren.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

Het Rococo

Spaanse trappen, Rome
Spaanse Trappen, Rome.
*LIJN*

De term Rococo is afgeleid van Rocaille, dat is een a-symmetrische versiering, die de huisstijl van de Franse koning Lodewijk XV typeert. Inmiddels staat het Rococo te boek als een hofstijl in Frankrijk. Maar aangezien alle hoven in Europa er Franse manieren op na hielden, treft men deze stijl ook in Rome aan, zij het met mate. Slechts de Spaanse trappen en het pleintje voor de St.Ignazio zijn rococostijl. De zware symmetrische en pompeuze stijlkenmerken van de barok maken plaats voor de oppervlakkige en lichtzinnige rococotrant. Het waren overigens niet de Fransen die het rococo importeren maar de Spanjaarden. De Spaanse gezant laat de Spaanse trappen aanleggen. En als men de vormgeving van dat geheel vergelijkt met andere trappenpartijen, als de 'cordonnata' de trap naar het Capitoolplein, ontworpen door Michelangelo, en de Scala Regia in het Vaticaans paleis van Bernini, merkt men dat de voorkeur voor grillige gebogen lijnen die liefst ook nog a-symmetrisch verlopen groot is. De trap naar het kapitoolplein is weloverwogen bescheiden aangepast aan de situatie en eigenlijk niet opvallend. De trap van Bernini is een grote perspectieftruc en presenteert zichzelf als bouwkundig object. De Spaanse trappen zijn een filmisch decor met wisselende standpunten waarop het overbruggen van hoogte in wezen een secundair opgelost probleem is. Het rococo schept voornamelijk toneeldecors.

Een ander typisch voorbeeld is de Piazza S.Ignazio tegenover de gelijknamige kerk. Ze wordt omringd door woonhuizen waarvan de woonfunctie volledig is aangepast aan de vormgeving van het decor achter het pleintje. Per definitie zijn de gevels gebogen en uit de smalle straatjes verwacht men elk moment een operettegroep te voorschijn te zien komen.


© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J. BROUWER

De negentiende en twintigste eeuw.

Als men plaatsneemt bij de tombe van Publius Bibulus, die functioneerde als kilometerpaal en die naast het grote monument van Victor Emanuel staat, dan kan men van daar uit de negentiende eeuw redelijk overzien. Deze tombe die al vermeld wordt door Petrarca, markeert het begin van de Via Flaminia die doorloopt tot de plaats Fano aan de Adriatische kust. De tombe ligt op een bijzondere plaats. Er achter liggen de keizerfora, ervoor de Piazza Venezia, waar Mussolini oreerde, ernaast het monument van de eenwording van ItaliŽ en vlakbij de gevangenis waar Petrus gevangen zat. Op deze plek beleeft ItaliŽ zijn geschiedenis en zijn nationaal gevoel.

Quirinale, Quirinaal, Rome
Het Quirinaal. Gebouwd als zommerresidentie van de pausen; nu zetel van de president van de republiek.
*LIJN*
Altare della Patria, Rome
Monument van Victor Emanuel II
*LIJN*
Porta Pia in Rome
Porta Pia. Op 20 september 1870 trokken de Italiaanse troepen langs deze poort de stad Rome binnen waarmee de eenwording van ItaliŽ was voltooid. Het monument rechts herinnert daaraan.
*LIJN*

Mazzini en Garibaldi riepen op 9 februari 1849 de Italiaanse eenheid uit. De staatsvorm werd de republiek. Franse troepen kwamen de paus te hulp en herstelden zijn positie. Maar omdat in 1870 de Frans-Duitse oorlog uitbrak, verlieten de Fransen ItaliŽ en werd nog slechts verdedigd door de Zouaven waaronder 3500 Nederlanders. Op 20 september trok Victor Emanuel Rome binnen. ItaliŽ was een feit geworden.Victor Emanuel zocht een hoofdstad voor de nieuwe staat ItaliŽ. Rome was tot op dat moment de stad van de Paus en hoofdstad van de kerkstaat. Victor zocht overleg met de paus over deze kwestie en meed elk conflict. Alle steden die als alternatief konden dienen, vielen -uiteraard- af als mogelijkheid. Overleg leidde tot niets en de toenmalige paus Pius IX deed Victor Emanuel , die katholiek was, in de ban. Rome werd ingenomen door de nationalisten .De paus en zijn hof werden definitief naar het Vaticaan "verbannen" zodat het Quirinaal als paleis beschikbaar kwam. Het conflict tussen kerkstaat en ItaliŽ werd pas in 1929 definitief opgelost en geregeld in het verdrag van Lateranen. Vanaf dat moment werd de kerkstaat gereduceerd tot het Vaticaan-van-nu en de kerken St.Jan van Lateranen de Paulus buiten de muren en de Santa Maria Maggiore. Sindsdien beschikt de kerk over een eigen territorium met alle faciliteiten van een echt land. Om de 50-jarige eenheid te vieren werd het gigantische monument van Victor Emanuel gebouwd. Het werd geplaatst voor het Capitool, recht tegenover de Via del Corso en de Piazza Venezia, dus wat men noemt hartje stad. De architect Sacconi gebruikte een steensoort waardoor het gebouw altijd wit blijft. In de volksmond heeft dat de bijnaam suikertaart opgeleverd. Het monument dient als altaar van het vaderland, graf van de onbekende soldaat en er zijn musea in ondergebracht. De gigantische afmetingen ervaart men pas goed bij het zien van foto's van een banket in de buik van het paard dat een centrale plaats inneemt!

Overigens werd bouwkunst in Europa tijdens de negentiende eeuw gekenmerkt door het eclecticisme. Dat is een verzamelnaam voor alle bijeengeleende stijlkenmerken uit allerlei stijlperioden. Een echte stijl is er dus niet. Het enorme Paleis van Justitie, bijvoorbeeld, is neo barok. Ook de paleis die al eeuwen gebouwd worden bouwt men nog steeds. Het verschil tussen 16e en 19e eeuwse paleis is lang niet altijd eenvoudig te zien. Meestal zijn de moderne paleis groter en hebben ze in sommige gevallen een attiek of extra verdieping boven de kroonlijst. Wat origineel beeldhouwwerk had moeten zijn is meestal stucwerk met verf. De moderne bouwkunst begint met de toepassing van glas, beton en staal. Maar dan zijn we al in de twintigste eeuw aangekomen.

De bouwkunst in de twintigste eeuw Architect Pier Luigi Nervi is een van de architecten die grote overspanningen maakt met zgn. holle graat-liggers van beton. Aan de noordkant van de stad staat het grote ronde sportpaleis dat uit een grote schaalconstructie bestaat zonder steunpunten midden onder de overkapping. Even eens van Nervi is de grote AudiŽntiehal naast de St.-Pieter. Die is voorzien van lichtdoorlaten de dakconstructies en airconditioning onder alle stoelen. Behalve het werk van Nervi is er natuurlijk meer rondom de stad Rome te vinden. De meeste nieuwbouw is te vinden in de buitenwijken. Rome wijkt in dit opzicht niet af van b.v. Rotterdam. Een uitzondering is de E.U.R.-wijk. Gebouwd in de Mussolinitijd.


De moderne beeldhouw- en schilderkunst

Rome speelt als staat geen bijzondere rol meer in de kunst van ItaliŽ. Ook de rol van de kerk als opdrachtgever is niet meer die van weleer. De laatste aanwinsten aan religieuze kunst zijn te zien in de afdeling 19e en 20e eeuw van het Vaticaans Museum. De tragiek is nu dat er nauwelijks nog religieuze kunst door specifieke kunstenaars wordt gemaakt, als men tenminste kwaliteitscriteria wil volhouden. De enige bekende uitzondering is Giacomo Manzý, die nieuwe deuren voor de St.-Pieter maakte. Rotterdammers zouden ze moeten herkennen; hij maakte ook deuren voor de Laurenskerk te Rotterdam.

De fascistische revolutie


ItaliŽ was het eerste Europese land waar het fascisme aan de macht kwam. Dat gebeurde in 1922, na de mars op Rome. Mussolini's 40.000 zwarthemden hadden een tocht van 1000 kilometer van Bolzano naar de hoofdstad afgelegd. Ze wilden de regering belegeren. Volgens de plannen zouden vierduizend fascisten op dertig kilometer gelegerd worden in Tivoli, in de tuinen van de Villa d'Este waar ze de watertoevoer en de elektriciteitsvoorziening van Rome moesten controleren. In Moterotondo, 20 km naar het noorden, zouden 13.000 man de spoor lijn die de ruggengraat van ItaliŽ vormde, doormidden snijden. Ook de spoorlijn naar de kust moest in handen van de zwarthemden vallen. In de stad waren strategische plaatsen als doelwit uitgezocht. Onder de druk van deze opmarcherende troepen capituleerde de regering. Mussolini kreeg het premierschap aangeboden. Jaar I van de fascistische kalender begon.

De fascistische ideologie, revolutionair en reactionair


In de ideologie van het fascisme lag de utopie van een onoverwinnelijk ItaliŽ opgesloten. De maatschappij moest streng hiŽrarchisch van boven naar beneden worden opgebouwd. De meedogenloze leider, de Duce, heerste over leven en dood. Alles wat weerloos was, moest wijken voor de nieuwe orde. Het fascisme was revolutionair, de oude aristocratie had zich overleefd en moest zich onder werpen aan de nieuwe elite. Maar die revolutie verheerlijkte tegelijkertijd een ver verleden: de tijd dat de Romeinen de wereld beheersten. Daarom waren de fascisten naar hun symbool vernoemd, de fasces. Deze roedenbundel met bijl, bijeengehouden door een rode riem, werd door de hoge ambtenaren voor de keizer uitgedragen. De bijl verzinnebeelde dat degene die hem voerde, kon beschikken over leven en dood.

Mussolini's plannen


Mussolini wilde de grootsheid van dit oude Rome laten herleven in de bouwkunst. Langs brede, weidse straten moesten imposante bouwwerken verrijzen. Even buiten het centrum zou een nieuwe wijk ontstaan. Tegelijkertijd kregen archeologen de opdracht de monumenten van het oude Rome bloot te leggen. In de centra van de steden moesten indrukwekkende heroÔsche perspectieven geschapen worden. "We moeten iedereen die niet echt in de stad hoort, naar de buitenwijken verdrijven" verklaarde Calza Bini, het hoofd van de projecten. Dat betekende dat er voor de minder gefortuneerden geen plaats meer was. Zo heeft Mussolini de Fora en het Capitool laten uitgraven. Hij ging daarbij niet zachtzinnig te werk, een aantal schilderachtige volksbuurten moesten er voor afgebroken worden. Bij de Fora staat het opdringerige monument van Victor Emmanuel. Dit werd in 1911 nog vůůr het fascisme gebouwd, maar het legde wel de weg open voor de koude imperiale stijl van het Mussolini-tijdvak. Het hoogtepunt hiervan werd in de jaren 30 bereikt. Het Capitool werd geflankeerd door brede doorgangswegen, de Via dei Fori Imperiali aan de ene kant (Mussolini noemde deze: Via dell'Impero) en de Via del Teatro di Marcello aan de andere kant. Voorbij de Tiber werd het oude district van de Borgo volledig veranderd door de bouw van de Via della Conciliazione (1937), die daardoor het dramatische effect van Bernini's Piazza tegenover de St.-Pieter veranderde. Dat was opzet. Mussolini wilde de paus laten weten wie de werkelijke heerser was.


Palazzo della Civiltŗ del Lavoro
Het 'Palazzo della Civiltŗ del Lavoro' in de wijk EUR, ook wel het 'vierkante colosseum' genaamd, is gebouwd in de fascistische periode ter verheerlijking van het Italiaanse Volk.
*LIJN*

De Esposizione Universale di Roma (EUR)

Daarom ook wilde hij tussen Rome en de zee een satellietstad laten verrijzen met moderne gebouwen die de pauselijke paleizen in de schaduw moesten stellen. De bouw werd begonnen in 1938 naar de ontwerpen van Marcello Piacentini. Het ambitieuze project dat de verworven heden van het fascisme moest symboliseren, zou in 1942 geopend worden (gevolgd door de Olympiade della CilviltŠ). Maar de gebouwen werden daar gedeeltelijk gerealiseerd, bovendien werd de wijk door het oorlogsgeweld getroffen. Na 1952 werden de oorspronkelijke gebouwen gerestaureerd en er werden nieuwe toegevoegd. Er kwamen regeringsgebouwen. De hoge gebouwen staan ver uit elkaar, er zijn brede avenus en parken. De wegen zijn doorgaans leeg. Het meest bekende bouwwerk, het Palazzo della CiviltŠ, werd in 1938 gebouwd. Het is het wit marmeren gebouw met strakke ronde boogramen die zwart tegen het wit afsteken (architect: Adalberto Libera). We vinden daarbij het Paleis van de Wetenschap met verschillende musea.

Ara Pacis Augustae Tijdens ons verblijf in Rome bezoeken we de Ara Pacis. Het monument, maar ook de directe omgeving is verbonden met de geschiedenis van het fascisme. Fragmenten van de Ara Pacis waren al in de 16e eeuw ontdekt. Deze kwamen in Florence en in het Louvre terecht. Pas vorige eeuw ontdekte men dat ze tot het altaar behoorden. In 1894 begon een serieus wetenschappelijk onderzoek dat in 1903 tot opgravingen leidde. Men vond grote stukken, maar technisch was verder uitgraven door wateroverlast onmogelijk. In 1937 is het in opdracht van de fascisten met enorme inspanningen wel gelukt om de funderingen en andere delen bloot te leggen. Uit al die brokstukken is de Ara Pacis samengesteld. Mussolini liet rond het nieuw opgestelde monument nieuwe gebouwen optrekken. Je kunt daarin goed zien hoe de Romeinse bouwkunst gekopieerd werd door de fascistische architecten. Bovenin zie je verschillende reliŽfs met fascistische symbolen. (We passeren op onze voettochten vaak het Palazzo Venezia. Dit werd tijdens het fascisme in gebruik genomen door Mussolini. Hij hield donderpreken op het balkon.)

Kenmerken en stijlen


De fascistische stijl is monumentaal, retorisch en letterlijk en figuurlijk, zoals de fascisten het uitdrukken: van graniet. De gebouwen willen imponeren. Ze zijn groot en vaak wijd uitgestrekt. Toch doen ze modern aan. De strakke, rechte lijnen vinden we ook terug in gebouwen van deze tijd. In de jaren '30 was die stijl revolutionair. Deze fascistische architectuur was voorafgegaan door het futurisme en het rationalisme. De eerste stroming was ideologisch een directe voorloper van het fascisme. De futuristen waren zelfs nog radicaler: "We zullen de oorlog verheerlijken .... en het militarisme, het destructieve gebaar van de vrijheidsbrengers en verachting voor vrouwen, mooie ideeŽn die het waard zijn om voor te sterven." Maar hun architectuur leverde nauwelijks realiseerbare ontwerpen op. Mussolini liet zich in zijn toespraken door het futurisme inspireren, maar hij bevoordeelde haar niet ten koste van andere stromingen.