![]()
Forum Romanum, Rome.
![]()
|
|
Het Romeinse rijk begon op een paar heuvels aan de rivier de Tiber in midden Italië: de Palatinus en de Capitolinus. Daar, ten noorden van wat we nu Rome noemen, woonde al een volk: de Etrusken. Dat was één van de tientallen etnische groepen die het gebied van het tegenwoordige Italië bewoonden.
De stammen op de heuvels langs de Tiber - later naar hun stad Rome Romeinen genoemd - waren de Latijnen en de Sabijnen. Die werkten met elkaar samen om hun woongebied te vergroten. Eerst kwam Rome nog in Etruskische handen, maar rond 500 v.C. herwonnen de Romeinen hun zelfstandigheid en begon de groei van hun rijk.
Ca. 200 v.C. was heel Italië ingenomen. Van de Etruskische beschaving namen de Romeinen veel culturele elementen over. Het overnemen van elementen uit andere culturen was een karakteristieke eigenschap van de Romeinen. Als bezettingsmacht waren de Romeinen zeer tolerant. Zij verboden geen vreemde godsdiensten, zeden en gebruiken maar namen er zelfs veel van over.
In zijn grootste omvang had het rijk de volgende grenzen:
- In het noorden: de Rijn, Kromme Rijn, langs de lijn Nijmegen - Utrecht - Katwijk.
- In het oosten: de Rijn, de limes, de bewaakte en versterkte grenslijn tot de Donau. Verder Klein-Azië (dat nu Turkije heet) en Palestina, tot Irak.
- In het zuiden:Egypte en de Sahara.
- In het westen:de Atlantische Oceaan en Engeland.
Als we over de periode van de Romeinse cultuur spreken dan gaat het over het tijdperk 753 v.C. tot 476 n.C., te verdelen in:
- Het Rome van de koningen (753-510 v.C)
- De republikeinse periode (510-27 v.C)
- De keizertijd (27 v.C. tot 476 n.C.)
De naam Rome
De naam Rome is te herleiden tot Romulus. In het kort verhaalt de legende waaruit deze naam voorkomt het volgende:© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWERToen het Latijnse volk nog door een koning werd geregeerd en in Alba Longa woonde, zo'n 750 v.C., had koning Numitor een dochter: Rhea Silvia. De koning liet haar opnemen in de groep Vestaalse Maagden, dat was een afgezonderd levende groep vrouwen die voornamelijk rituele diensten verzorgde voor het volk. De belangrijkste taak was het onderhouden van het vuur. Iets dat toen tamelijk problematisch was. Vestaalse maagden mochten om hun welhaast kloosterling-achtige bestaan niet trouwen. Maar daar stonden wel weer bijzondere voorrechten tegenover.
Niettemin kreeg deze Rhea Silvia twee zoons, Romulus en Remus. Beiden werden te vondeling gelegd en opgemerkt door een wolvin, die ze zoogde. De combinatie wolf en kinderen is te zien in een bronzen beeld dat nog als stadswapen dient. Ze kwamen terecht bij een herder die ze verder opvoedde.
Eenmaal volwassen verloochende hun koninklijke afkomst zich niet en ze stichtten de stad Rome. Remus viel spoedig af want die sprong onhandig over de stadsmuur en werd vervolgens door zijn broer Romulus gedood.Bij dit verhaal is het goed te weten dat "Rumoon" rivier of stroom betekent. De naam Rome is waarschijnlijk etymologisch van dit begrip afgeleid.
De succesformuleOorspronkelijk was het Romeinse rijk dus een koninkrijk met erfopvolging. De laatste koning (Tarquinius, ca. 500 v.C.), van Etruskische afkomst, werd verjaagd. Men koos voortaan jaarlijks 2 ambtenaren, consuls die het land bestuurden. Er was ook een volksvertegenwoordiging, de senaat, die 300 leden telde.
Tot zo ongeveer het jaar 0 (de geboorte van Christus, begin van onze jaartelling) veranderde er niet zoveel. Toen, vanaf het bewind van Tiberius, werd de staatsmacht aan één persoon getrokken.
De keizertijd begon met keizer Augustus, 27 v.C. Er was weer erfopvolging of het keizerschap werd, als de opvolging niet gegund werd of onmogelijk was, overgedragen aan adoptiefzoons of gunstelingen.
De Romeinse expansie was mogelijk door een aantal factoren:
- Het logistieke vernuft. Om een groot gebied te beheren en te beheersen moeten erg veel mensen en materiaal op de juiste plaats en tijd beschikbaar zijn. Daartoe was een goed communicatie- en distributienetwerk nodig. Er waren koeriersdiensten en transporten over nieuw aangelegde, meestal rechte wegen tussen belangrijke steden.
- De opzet van het militaire apparaat was superieur aan dat van de verdeelde en met slechte bewapening opererende tegenstanders zoals de Galliërs, Bataven, Germanen en Daciërs.
- De standenmaatschappij die bestond uit patriciërs, dat waren vrije staatsburgers, met daaronder de plebejers, die de grote massa van de bevolking uitmaakten. Geleidelijk werden de burgerrechten van patriciërs en plebejers gelijkgetrokken (247 v.C.). De slaven vormden de laagste stand. Die maakten het inzetten van gratis arbeidskrachten voor wegenaanleg, bruggenbouw, roeien van de galeien mogelijk.
- De Romeinen vernietigden niet de cultuur van volken die ze overmeesterden maar namen er bruikbare elementen van over. Door die instelling voorkwamen zij massaal verzet van een volk dat voortdurend onderdrukt moet worden. Door die tolerante opstelling kwamen ook nieuwe godsdiensten in Rome. Uit Griekenland waar erg veel als voorbeeld werd overgenomen; uit Egypte de verering van Isis; uit Palestina het christendom (dat aanvankelijk helemaal niet werd vervolgd).
De politiek
Wie aan de macht was moest zich bewijzen en er liefst voor zorgen herkozen, geduld of gedoogd te worden. Keizers, consuls en rijke aristocratische burgers ontplooiden velerlei culturele activiteiten waarin het volk kon delen. Men bouwde theaters, renbanen (circussen), organiseerde volksvermaak, zorgde voor vrije dagen, gratis voedsel e.d.
De belangrijkste beslissingen werden in Rome genomen door de senaat in het regeringsgebouw de Curia. Dat was een hoge rechthoekige zaal waarin staand werd vergaderd. Het volk werd toegesproken vanaf de rostra, een groot platform dat de functie van spreekgestoelte had. Dit regeringscentrum bevond zich op het Forum Romanum, een open ruimte in de stad waar zich openbare evenementen afspeelden en waar basilica's en tempels stonden.
- Basilica's waren openbare gebouwen voor handel en rechtspraak.
- Tempels waren gewijd aan allerlei goden en waren alleen voor priesters toegankelijk.
De hof waar de Vestaalse Maagden woonden bevond zich ook op het Forum Romanum. Dit forum was eeuwenlang letterlijk en figuurlijk het centrum van de wereld.
© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWER
Water
![]()
Forum Romanum, Rome.
![]()
![]()
De kerk Santa Maria degli Angeli is ingericht in het tepidarium van de romeinse Thermen van Diocletianus. Het gebouw geeft een indruk van de grootte en luxe van de Romeinse badhuizen.
![]()
![]()
De Porta dei Borsari in Verona.
![]()
Rome was de grootste stad met 1,6 miljoen inwoners maar niet de enige grote stad. Steden werden nogal eens eerst als legerplaats gebouwd en pas later definitieve vestigingsplaats. Dat verliep geheel planmatig. Het inwonertal en de voorzieningen waren op elkaar afgestemd. Steden hadden een vast stratenpatroon. Een noord-zuidweg (de cardo), kruiste een oost-west weg de (de decumanus). Op of bij de kruising van die wegen was dan het forum, een plein met tempels, bestuursgebouwen en een theater. Het stadion was aan de rand van de stad.
Steden waren ommuurd tegen invallen en werden bewaakt. In Trier is nog de Porta Nigra die destijds als stadspoort diende. De stadsmuur om Rome is nog vrij volledig aanwezig. Er was een brandweer die bestond uit slaven. Verder waren er openbare toiletten: een stenen zitbank met ronde gaten er in.
Uit de bergen - de Apennijnen of de Albaanse bergen in het geval van de stad Rome - werd water aangevoerd voor de bevolking. Daartoe bouwde men aquaducten. Dat waren lange reeksen stenen bogen op kolommen die bovenop een goot hadden waarin water naar de stad stroomde. Daar werd het opgevangen in verzamelbekkens die later meestal de vorm van een fontein hebben gekregen. Een belangrijk deel van het water was bestemd voor de badhuizen of thermen.
Voor de persoonlijke hygiëne en enig sociaal verkeer ging men 's middags, als het heet was, naar de badhuizen ofwel thermen. In Rome waren verschillende badcomplexen gebouwd door keizers. Zo zijn er bijvoorbeeld de thermen van Diocletianus en van Caracalla. De thermen waren voor mannen en vrouwen toegankelijk en erg goedkoop. Er waren bassins met koud, lauw en warm water alsmede een stoombad. De vloer werd verwarmd door hete lucht door de kruipkelder te voeren.
Ook kon men er sport en spel beoefenen of wat lezen in de bijbehorende bibliotheek. De capaciteit was zo'n gebouw was enorm: ze maten honderden vierkante meters.
Wegen
Terwijl overal in Europa nog sprake was van "routes" die van de ene stad naar de andere liepen, bouwden de Romeinen wegen, rechttoe rechtaan.Scheepvaart
Men kende de lange, moeizame routes naar het oosten zoals: de barnsteenroute, de zijderoute, maar wegen waren dat niet. De Via Appia, aangelegd door Appius Claudius in 312 v.C verbond Rome met het zuiden van Italië. Zo was er de Via Aurelia langs de kust naar het noorden. Ook langs de grens aan de Rijn was zo'n weg. Snel reizen was er niet bij. Men verplaatste zich te paard, per koets, of - meestal - te voet. Om bijvoorbeeld van Venetië naar Bordeaux te komen had men 40 dagen nodig. Dat was verhoudingsgewijs snel. Een weg bestond uit grote blokken vulkanisch steen als ondergrond met daarop kleinere stenen en grind. De wegen waren bewegwijzerd met mijlpalen elke 1479 meter. Een dagreis was 35 à 40 km. Langs de wegen waren dus veel herbergen die tevens als speelhol en bordeel dienst deden.
De Romeinen waren geen zeevarend volk. Dat waren de Grieken en Phoenicieërs veel meer. Door de noodzakelijke invoer van graan uit Egypte was een vloot echter nodig. Vrachtschepen zeilden omdat aandrijving door roeiers te duur was, zelfs als het slaven zouden zijn. De schepen bevoeren de hele Middellandse Zee maar kwamen niet op de oceaan. Men kon met schepen ook tegen betaling meereizen; zo kwam de ontdekkingsreiziger Herodotus in Babylon terecht.© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWER
De standen
"Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje". Deze uitdrukking gold in de Romeinse tijd voor de meeste mensen. Een vrije burger, een patriciër, had z'n rechten en plichten en was lid van een belangrijke familie. Een plebejer was vrij maar had aanvankelijk geen rechten.Naar de kerk
Een slaaf had slechts plichten, zijn enige recht was: niet zonder reden afgemaakt worden. Voor de rest was zijn status gelijk aan die van een huisdier: men hield er van maar het was een inferieur wezen. Trouwen mochten slaven eerst ook niet. Pas toen er ethische, levensbeschouwelijke beginselen universeel (dus voor iedereen, mannen vrouwen èn slaven) ingang vonden mochten slaven trouwen. De verbetering van de situatie van de slaven werd niet meteen beter door de opkomst van het Christendom, alhoewel alle mensen voor de godsdienst gelijk waren. Kreeg een slavin een kind dan was dat ook eigendom van de eigenaar. Per woonhuis of domus waren er zo'n 15 slaven nodig. Wie maar één slaaf had was zelf ook een armzalig persoon.
Er waren slaven in soorten:
- krijgsgevangenen uit andere landen;
- de bevolking, compleet, van ingenomen steden elders;
- kinderen van slaven;
- verpauperde burgers die zichzelf als slaaf verkochten.
De slaven werden verhandeld op de markt, zij waren een gewoon handelsartikel. Slaven droegen een halsband met tekst erop. Daarop stond waar zij thuishoorden, een soort hondeband dus.
Men vereerde veel verschillende goden. Dat deden de Grieken ook en veel Goden verschillen slechts in naam van hun griekse equivalenten. In de stad bouwde men voor de eredienst veel tempels die aan die goden waren gewijd. Tempels waren niet toegankelijk voor het volk. In de binnenruimte, de cella, stond het beeld van de desbetreffende god. Alleen priesters die voor de eredienst en de offers zorgden kwamen binnen. In Rome is een gebouw, het Pantheon dat aan verschillende goden tegelijk is gewijd (zie verder).
Door de vele veroveringen kwam men in contact met vreemde godsdiensten die op het soldatenvolk nogal eens indruk maakten. Die vereringen kwamen ook in Italië terecht. Men vereerde daar dus allerlei goden. Ook het christendom werd niet geschuwd. Zolang een religie niet strijdig was met het algemeen belang (of dat van de regerende keizer) werd die toegestaan.
De christenen gingen pas 'ondergronds' toen keizer Nero een zondebok zocht voor het falen van zijn beleid. Hij schreef de brand van Rome (die hij zelf aanstichtte) op hun rekening. Echte bedreiging was:
- de gedachte dat mensen gelijk zijn en in vrede met elkaar moeten leven. Dat was strijdig met de militaire manier van beheersen en onderdrukken van volkeren;
- het toenemend aantal christenen in alle lagen van de bevolking. Onderdrukking van een onoverzichtelijke bevolkingsgroep was op den duur niet mogelijk.
De sociale structuur: het gezin
Trouwen was een persoonlijke en mondelinge overeenkomst. Meisjes waren huwbaar als ze tussen de 12 en 18 jaar oud waren. Alleen over de eventuele bruidsschat werd iets vastgelegd. Men kende al wel een soort trouwring. Om aan de huwelijkse status rechten te ontlenen had men dus getuigen nodig. Als kind werd je pas erkend door de vader, meestal de heer des huizes, als die het meteen na de geboorte in zijn handen nam en optilde. Als het kind een meisje was, of buitenechtelijk, werd het niet altijd erkend en weggegeven aan familie, een slavenhandelaar of te vondeling gelegd. Het was belangrijker om tot een familie te behoren dan een duidelijke afkomst te hebben. Adoptie kwam dan ook veel voor.Het huis
Als het huwelijk bestond, was er ook echtscheiding. Dat was ook zo, en wel in toenemende mate. In de Romeinse tijd emancipeerde de vrouw geleidelijk tot vrijwel evenwaardig aan de man. Ze werkte dan ook buitenshuis, zeker als men arm was. De huwelijksband werd losser. Omdat huwelijken lang niet altijd een liefdesrelatie inhielden was er ook een buiten-echtelijk circuit, overspel dus.
Een kind werd toevertrouwd aan een voeder of voedster. Die verzorgde het tot het kind naar school ging. Jongens en meisjes gingen 's morgens naar school waar voornamelijk het karakter werd gevormd en lezen en schrijven werden geleerd. Alleen jongens leerden verder bij de grammaticus. Meisjes werden zo rond 14 jarige leeftijd al uitgehuwelijkt. Onderwijs kende geen vormende vakken maar prestigevakken zoals retorica, ofwel welsprekendheid. Men leerde het Grieks lezen en schrijven. Onderwijzen van het Grieks werd als cultuuroverdracht beschouwd. Wat voor het latere leven nodig was leerde men in de omgang elders: het leven zelf was de leerschool. Een volwassenen leeftijd bestond niet. Vanaf zeg, 18 jaar werd het haar kortgeknipt droeg men een toga en was men volledig handelingsbekwaam. Maar... zolang de vader van het gezin leefde, bepaalde die eigenlijk je mogelijkheden.
Een domus was een huis voor rijke burgers met een binnenplaats en een tuintje met fontein. Zo'n domus was rondom van de buitenwereld afgesloten. Alleen aan de straatkant was een ingang en veelal een winkeltje. Als bouwmateriaal werd hout leem en baksteen gebruikt. Als cement gebruikte men pozzuoli-aarde. Op de daken lagen dakpannen. In het interieur werden de wanden gladgepleisterd en beschilderd in frescotechniek. Voorstellingen waren meestal landschappen, planten dieren, en perspectivische doorkijkjes.De spelen
In de stad woonden de minder welgestelden, in woonblokken, insulae geheten. Die waren zo'n 70 bij 70 m. Op de begane grond was stromend water dat door waterleidingen naar de stad werd gevoerd. Riolering bestond al en die draineerde niet alleen de bodem maar voerde ook hemelwater en afvalwater af. In de huurkazernes die de woonblokken waren kon men appartementen huren waarvan de prijs daalde met de hoogte van de verdiepingen. 5 Verdiepingen kwamen voor. De huur was dan laag maar water moest naar boven gesjouwd worden door slaven. Huurwoeker ontstond door het in pacht geven van een kazerne door de eigenaar aan een huisbaas. Het laten afbranden van kazernes om de grond dan duur door te verkopen was ook een methode om snel rijk worden in onroerend goed.
De Romein kon zich behalve in de thermen ook vermaken in de theaters. De grondvorm was een halve cirkel met oplopende tribunes. De achterwand was een vast decor, de scena. Men kon er toneelvoorstellingen bijwonen van zeer wisselend niveau en kwaliteit, Griekse tragedies en comedies, voor elk wat wils dus.
Als er a.h.w. twee theaters tegen elkaar gebouwd werden, zonder achterwand ertussen, sprak men van een amfitheater, een stadionvorm. Het bekendste en beruchtste was natuurlijk het Colosseum dat zo'n 50.000 mensen tegelijk kon herbergen. Het Colosseum werd gebouwd door keizer Vespasianus in de tuin van het gouden huis van Nero. De vijver bij dat huis werd drooggelegd, gedraineerd en het grote gouden keizerbeeld dat er vlakbij stond, "de Colossus" gaf de bijnaam aan het stadion.
Spelen bestonden uit vechtpartijen, series achtereen, soms dagen aan elkaar. Gevechten tussen gladiatoren, één tegen één, twee tegen twee of hele groepen. Gevechten tussen mens en dier vond men ook zeer vermakelijk: leeuwen, krokodillen; alles wat uit de buitengebieden naar Rome werd gebracht en gevaarlijk was, werd ingezet. Tijdens de vervolgingen van de eerste christenen werden ook die bij leeuwen in de arena gezet.
voeding
Men kon op straat in het thermopolium iets gaan eten. Zo'n inloop- snackbar had wijn, vissen en meelspijzen voorradig die ter plekke genuttigd konden worden. Wijn werd bewaard in aardewerk vaten en moest met water worden verdund. Twee delen wijn op drie delen water. Voor kinderen deed men meer 'water in de wijn'. Onversneden wijn was veel te sterk en te zuur.Het uiterlijk vertoon
Thuis kookte men op een ijzeren kacheltje. Bewoonde men een echte domus dan was er een ruimte aan het atrium als keuken ingericht.
Ontbijten deed men niet. Er werd eigenlijk maar een keer per dag goed gegeten, aan het eind van de middag. De kern van het voedsel bestond uit pap van granen die zeer voedzaam was. Vlees werd gegeten maar was duur. Soep was algemeen normaal voedsel evenals bonen, groenten, fruit, kaas en brood. Door de uitvinding van gist werd brood een algemeen volksvoedsel.
Alle warme gerechten werden stevig gekruid met een mengsel dat garum genoemd werd. Peper en zout waren bekend; maar suiker, cacao koffie en thee nog niet. In de Romeinse tijd werden de kers en de perzik in Italië geïntroduceerd. Ook toen waren er mensen die de kookkunst tot op grote hoogte beoefenden. Allerlei delicatessen werden bereid; wat te denken van een bord vol pauwetongen?
Eten deed men liggend in het triclinium. Enkele krukjes die er waren werden gebruikt door kinderen en slaven.
Behalve rustbedden een zitbanken was er geen meubilair van enige omvang in huis.
![]()
De bustes in het Capitolijns museum in Rome geven een realistisch beeld van het uiterlijk van de Romeinse patriciërs.
![]()
Wassen deed men met zeep die bestond uit olijfolie en alkalische stoffen; tandenpoetsen met fijngestampte hoorn. Scheren was normaal, alleen mensen die een protesthouding innamen zoals bepaalde filosofen hadden lange baarden.Kleding
De dames droegen pruiken die over een diadeemachtige opzetstuk werden gevormd. Ook portretbeelden werden aangevuld met afneembare, en dus verwisselbare pruiken. Het haar blonderen kon met geitevet en as. Make-up was volop in de mode. Rouge (wijndroesem), oogschaduw en balsems waren te koop.
De kleding bestond uit eenvoudige onderdelen. Ze leek sterk op de klederdracht van de Grieken. Typisch Romeins was de toga. In de republikeinse tijd droeg iedereen een toga, mannen en vrouwen. Aan de kwaliteit van de stof kon men afleiden van welke stand men was. Die kwaliteit liep uiteen van grof linnen tot duur borduursel. Door de eeuwen heen werd de toga helemaal een feest- en statiegewaad en werd steeds duurder van uitvoering. De kleur van de toga paste bij een gebeurtenis. Onder de toga droeg men de tunica, dat was een kort, later een lang hemd met korte mouwen in lichte kleuren. Omdat de toga lastig was in dagelijks gebruik werd de tunica algemene dracht en kreeg ook versieringen. In de buitengebieden droeg men een versie van de tunica met lange mouwen, de z.g. dalmatica. Als badkleding kende men de bikini. Typische kleding voor de vrouwen was de chiton zoals die door de Grieken gedragen werd. Daarover de stola, een omslagdoek. Grondstoffen voor textiel waren linnen, wol en later ook katoen. Zijde werd pas geïntroduceerd na de veldtochten in het oosten.© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWER
Schoenen hadden allemaal het sandaalmodel: een lap leer die van onder de voetzool bovenop de voet en enkel werd vastgeregen. De schoenzool kon verhoogd worden met een kurklaag. Wie geen schoenen kon betalen liep op vilten, sokachtige sloffen.
Het legioen.Een opvallend deel van het Romeinse vernuft was zichtbaar in de opzet en organisatie van de militaire macht. Die macht maakte de verovering en beheersing van een groot gebied mogelijk, mede omdat de krijgsmacht werd onderhouden vanuit een bloeiende en draagkrachtige economie in het vaderland. De Romeinse legers versloegen tegenstanders die veel groter in aantal waren door betere tactiek en discipline.
De strijdmacht telde 12 legioenen. Een legioen telde 4200 soldaten en 300 ruiters. Na de grote hervorming (ca. 100 v.C.) werd een legioen 6000 man. Het opperbevel van een legioen berustte bij de regerende consul. Die delegeerde die taak aan 6 tribunen, die een soort legerstaf vormden. Een legioen werd onderverdeeld in 10 cohorten van 1000 man. De kleinste eenheid was 100 man onder leiding van een "honderdman" of centurio. Elke soldaat moest voor zijn eigen uitrusting zorgen. Ze tekenden een contract voor 16 tot 20 jaar dienst. Toen later de werving moeilijker verliep werd de uitrusting door het centrale gezag verstrekt en zag men er "geüniformeerd" uit.De uitrusting
De kracht van het legioen zat in de infanterie, voetvolk waarbij de cavalerie, de ruiterij, de flanken afschermde.
Bij een legioen hoorden ook boogschutters, genietroepen (bruggen- en verdegingswerken-bouwers). Een legioen moest voor zichzelf zorgen dus er reisden vele burgers, ambachtslieden, ingenieurs, landmeters, smeden, artsen en architecten mee.
De onderkleding van een soldaat bestond uit een lendendoek met daarover de tunica. Bovenkleding was een leren vest. Voor de romp een bronzen borst-buikplaat die aan de anatomie was aangepast. Die borstplaten waren soms van kunstig drijfwerk voorzien. Onder aan de rand van de borstplaat hingen leren repen tot boven de knie, waaraan versierselen bevestigd waren. Het hoge cilindrische schild droeg men links aan de onderarm en het korte zwaard rechts aan een riem over de schouder; om de polsen leren of metalen brede armbanden; op het hoofd een helm met wangplaten en bovenop een kam met geverfd paardehaar. Schoeisel bestond uit sandalen in een laarsvorm. Al naar gelang de functie had de soldaat een zware of lichte uitrusting die bestond uit lans en zwaard of zwaard en werpspies. De maliënkolder was al bekend en werd gebruikt.De marine
In vredestijd verbleef men in kazernes die qua inrichting leken op een kleine stad, ook rechthoekig van opzet.
De keizer beschikte over een eigen lijfwacht, de praetoriaanse garde, die hem zeer toegewijd was en trouw had gezworen. Bij veroveringen werden uit de krijgsgevangen soldaten geworven voor het legioen. Op den duur kwam dat de betrouwbaarheid van de eenheden niet ten goede. Ook werden verbonden gesloten met stammen en volken die met de Romeinen optrokken en daarbij hun eigen tactieken mochten hanteren.
Voor de expedities overzee, denk aan de overtocht naar Carthago, was een transportvloot nodig. Schepen voor militaire doeleinden mochten niet van windkracht afhankelijk zijn, die werden geroeid door slaven en veroordeelden. Dat waren de galeien.© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWER
Zo'n schip had links en rechts twee of drie rijen roeiers. Men noemde dat een bireem of trireem. De roeiers moesten als het er op aankwam de grootst mogelijk snelheid ontwikkelen. De tactiek bestond uit het rammen van andere schepen met de ramsteven die vooraan onder de waterlijn was aangebracht en van brons was gemaakt.
De beide kunstvormen werden als eenheid beschouwd, en in geen van beide werd een spectaculaire ontwikkeling doorgemaakt. De dans als kunstvorm was bestemd voor opluistering van feesten en de muziek daarbij werd gemaakt op instrumenten als:
- de cornu of grote kromme hoorn;
- de snaarinstrumenten citer en luit;
- de fluit was bij de grieken bekend als aulos (dubbelfluit); en van de Etrusken namen de romeinen de dwarsfluit over.
- de salpinx of trompet was evenals de hoorn in gebruik bij het leger in het stadion.
De muziekleer werd in het bijzonder behartigd door Ptolomeüs, door diens arbeid heeft de muziek als kunstvorm de aansluiting gekregen met de kerkelijke muziekcultuur in de vroege middeleeuwen.
© COPYRIGHT 2002 EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM J.BROUWERDeze drie begrippen zijn niet los van elkaar te zien. De neerslag van filosofische denkbeelden is uiteraard schriftelijk. De meest gebruikte taal was het Grieks maar er waren ook Grieken die Latijn leerden en in die taal schreven, zoals bijvoorbeeld Catallus.
Cicero en Cato maakten de Griekse wijsbegeerte toegankelijk maar pasten de ideeën daarin meteen aan naar hun eigen Romeinse inzichten.
Seneca ging niet selectief te werk maar moest om onwelgevallige denkbeelden te publiceren nogal opportunistisch te werk gaan. Hij was immers afhankelijk van de geld- en machthebbers.
Horatius was afhankelijk van ene Maecenas wiens naam nog steeds voortleeft in het begrip meacenas: beschermer van kunst en wetenschap.
De literatuur is meteen een rijke bron van kennis over de oudheid. Behalve gedichten en proza beschreef men tegelijk ook de eigen tijd. Vitruvius was een specialist die met name de bouwkunst zeer gedetailleerd heeft beschreven. Zijn werk zou in de renaissance weer uitvoerig worden bestudeerd.
Toneelstukken vormen een categorie in de literatuur. De bijdrage door de Romeinse literatuur daaraan was gering. Bijna alles wat in de theaters werd opgevoerd was van Griekse oorsprong. Het bouwen van theaters begon ca. 100 v.C. en na keizer Augustus werden geen theaters meer bijgebouwd. Romeinen gingen liever naar de stadions.
Aan het begin van de tweede eeuw n. Chr. bereikte het Romeinse rijk zijn grootste omvang. In heel Italië waren welvarende steden ontstaan met een bloeiende handel en nijverheid (we zullen de naam Italië steeds gebruiken als geografische aanduiding hoewel de staat Italië pas in de 19e eeuw ontstond). Op het platteland domineerden de grondbezitters. De rijksten onder hen maakten ook deel uit van het stedelijk patriciaat. Er waren landeigenaren die op het platteland resideerden maar er waren er ook die bijna altijd in de stad waren en de leiding over hun bedrijf overlieten aan rentmeesters (absenteïsme). De grond lieten zij bewerken door arbeiders en slaven.
De Romeinse economie was afhankelijk van slaven, die in een constante stroom uit nieuw veroverde gebieden werden aangevoerd. Die slaven lijken een redelijk menswaardig bestaan te hebben gehad op de landbouwbedrijven, al zijn er ook bedrijven bekend waar de slaven slechter werden behandeld dan de beesten.
Het landgoed werd aangeduid met de term fundus (grond) en het totaal aan gebouwen dat op zo'n fundus aanwezig was met de term villa rustica. Zo'n villa rustica had meer weg van een boerderij dan van het comfortabele landhuis dat later aan de term 'villa' gekoppeld zou worden. De villae rusticae bestonden uit gebouwen en vertrekken die bestemd waren voor de landbouw. Er waren slavenverblijven, stallen, silo's, schuren, ruimtes waar amfora's waren opgeslagen, maalinrichtingen, wijn- en olijfpersen. Vaak werden ook de noodzakelijke werktuigen en gebruiksvoorwerpen op het terrein van de villa vervaardigd. Er was dan bijvoorbeeld een schoenmakerij, een smederij of een pottenbakkerij. Soms ontwikkelde er zich een echte industrie, bijvoorbeeld metaalwinning. De villae leverden producten met een hoge marktwaarde, voornamelijk olie, wijn en fruit; de eigenaren zorgden zelf voor de productie en de afzet daarvan. Er werd ook geëxperimenteerd met het kweken van vis (aan zee) en het fokken van paarden, gevogelte en vee. Het vee diende onder meer voor de productie van mest.
Van de Romeinse villa's is maar zelden méér terug te vinden dan wat fundamenten en mozaïekvloeren maar in Italiaanse plaatsnamen leven ze voort. Namen op -ano duiden op de eigenaar van de grond in de Romeinse tijd. Desenzano bijvoorbeeld komt van Fundus Decentium, oftewel het eigendom van Decentius; en zo zijn er honderden voorbeelden.
Romeinse patriciërs die regelmatig verbleven op hun bezittingen op het platteland - en in de latere Romeinse tijd kwam dat steeds vaker voor - lieten daar naast het agrarisch gedeelte (pars rustica) ook een woongedeelte (pars urbana) bouwen. Dat woongedeelte kon zeer luxueus zijn, met kostbare materialen, mozaïekvloeren, muurschilderingen en een eigen badinrichting (thermen).
© COPYRIGHT 2002 BELPAESE.NL N.JONGENEELIn de gebieden die door de Romeinse legioenen werden veroverd, werd de grond die voor landbouw geschikt was, verdeeld in centuriae, stukken van een halve mijl bij een halve mijl, die bij wijze van premie aan veteranen gegeven werden. De soldaten die als boeren de gekoloniseerde gebieden gingen bewerken heetten coloni. Veel coloni verkochten hun grond al snel weer aan anderen, waardoor zich ook in die gebieden grootgrondbezit ontwikkelde.
In Italië kregen de coloni - maar ook veel grondbezitters - het in de late oudheid moeilijk. Vanaf de derde eeuw zonk de landbouw in een diepe crisis. De aanvoer van slaven stagneerde doordat er geen nieuwe gebieden meer werden veroverd. In de gewesten die het laatst veroverd waren was een enorme landbouwproductie op gang gekomen waardoor de prijs van de producten daalde. De enorme ambtenarij en het leger eisten hoge belastingen maar er werden tegelijkertijd door de overheid maximumprijzen voor landbouwproducten ingesteld. Het systeem van de coemptiones, dat de boeren verplichtte tot het aanleggen van voedselvoorraden voor leger en overheid, werkte eveneens verstikkend. Tenslotte was er ook de toenemende onveiligheid omdat de overheid er niet meer in slaagde de wet te handhaven.
Veel coloni redden het niet en verkochten hun grond aan de grondbezitters. Soms bleven ze als pachters de grond bewerken, maar hun onafhankelijkheid waren ze kwijt.
Zo veranderenden de grondbezitters in grootgrondbezitters en de fundus in latifundus. In uitgestrekte gebieden werden de grootgrondbezitters heer en meester. Ook delen van de woeste gronden (de ager publicus) voegden zij aan hun domeinen toe. Om verdere ontvolking van het platteland tegen te gaan werden de coloni aan de grond gebonden. Zij werden daardoor horigen (en in die betekenis werd de term coloni voortaan gebruikt). De landeigenaren hielden slechts een klein gedeelte van de grond in eigen exploitatie waardoor zij nog maar weinig slaven nodig hadden. Om minder gevoelig te zijn voor economische ontwikkelingen, werden de latifundi in hoge mate autarkisch, d.w.z. dat zij in hun eigen behoeften konden voorzien. En doordat de centrale overheid niet meer in staat bleek de organisatie- en controlefunctie op het platteland uit te voeren, kwam die terecht bij de grootgrondbezitters. Zo werd de villa een administratief en bestuurlijk centrum van een streek, waarmee de basis was gelegd voor de middeleeuwse landadel.
© COPYRIGHT 2002 BELPAESE.NL N.JONGENEELKeizer Constantijn de Grote had in 330 de stad Byzantium tot nieuwe hoofdstad van het rijk gemaakt. Hij noemde de stad naar zichzelf: Constantinopel. In 395 werd het rijk gesplitst in een oostelijk en een westelijk deel. Het Oost-Romeinse (of Byzantijnse) rijk zou blijven voortbestaan tot de verovering door de Osmaanse Turken in 1453. Die noemden de stad Istanboel.
Met het West-Romeinse rijk ging het eerder mis. In 410 werd Rome geplunderd door de Visigoten onder leiding van Alarik en daarna werd Noord-Italië onveilig gemaakt door de Hunnen onder Atilla (Venetië ontstond in die tijd doordat bewoners van het vasteland een veilig heenkomen zochten op de moeilijk bereikbare eilandjes).
© COPYRIGHT 2002 BELPAESE.NL N.JONGENEELToen in 476 de laatste keizer van het West-Romeinse rijk, Romulus Augustulus, door de Germaanse huurlingenaanvoerder Odoaker (476-493) werd afgezet en de Germanen de baas werden in Italië, bleven de Romeinse instellingen gewoon bestaan. Odoaker koos Ravenna als residentie en noemde zichzelf de 'koning der Germanen in Italië'; maar hij haastte zich de opperheerschappij van de Oost-Romeinse keizer Zeno te erkennen en regeerde in diens naam als patricius (de hoogste titel na de keizer). Volgens de regeling van de hospitalitas (gedwongen gastvrijheid) confisqueerde hij wel éénderde van de landerijen voor zijn eigen soldaten.
Odoaker respecteerde de orthodox-christelijke kerk, hoewel hijzelf Ariaan was. Alle Germaanse stammen - behalve de Franken - beleden het Arianisme. Volgens hen waren God de vader en de Zoon niet één wezen, een opvatting die in Italië al lang verworpen was. Dit ogenschijnlijk kleine theologische geschilpunt bleek steeds opnieuw een grote belemmering voor de assimilatie van de Germaanse indringers met de Romeinse bevolking.